Mens in de psychiatrie

De aflevering ‘Hokjesdenken in de psychiatrie’ van Pointer laat zien hoe onmenselijk het ggz-systeem werkt. Mensen met ‘complexe’ psychische problematiek worden uitgesloten van zorg. Het benaderen van mensen als ‘ernstige patiënten’ met ‘complexe problematiek’ is wat mij betreft al een onderdeel van het probleem. Met alles wat ik in me heb, wil ik laten zien hoe het anders kan. Omdat ik heb mogen ervaren dát het anders kan, als persoon die ooit de stempel ‘ernstige patiënt met complexe problematiek’ heeft gekregen. Het kan anders, er is hoop.

‘Het belangrijkste wat ik, of iedere andere therapeut, kan doen is een authentieke, helende relatie aanbieden (…)’, schrijft auteur en psychotherapeut Irvin D. Yalom in Eendagsvlinders. Die relatie is steeds anders, afgestemd op de mensen die tegenover elkaar zitten in de spreekkamer en daarom ook moeilijk in richtlijnen of protocollen vast te leggen: ‘(…) een unieke aanpak voor iedere patiënt die je in geen enkel therapeutisch handboek aantreft. We komen er wellicht nooit precies achter op wat voor manier we hebben geholpen (…)’ (Yalom, Eendagsvlinders, p. 187).

Floortje Scheepers, hoogleraar Innovatie in de ggz, betoogt in haar boek Mensen zijn ingewikkeld dat de classificaties en protocollen in de ggz geen recht doen aan de mentale ontregeling waar mensen mee te maken kunnen krijgen. ‘Als al die modellen en richtlijnen écht zouden werken, zouden niet zoveel kinderen en volwassenen blijven ronddolen van de ene hulpverlener naar de andere, met steeds weer een nieuw psychisch label, en zonder goede hulp te krijgen.’ (Trouw, 23 januari 2021).

De psychiatrische classificatie

Daar kan ik het, als die ronddolende, steeds weer opnieuw doorgestuurde jongvolwassene, alleen maar mee eens zijn. We moeten af van dat gekaderde, oplossingsgericht denken in de ggz. We moeten het niet-weten en niet-begrijpen omarmen. We moeten stoppen met een verklaring zoeken, een schuldige, een verantwoording. We moeten gesprekken voeren, naar elkaar luisteren, er voor elkaar zijn. We moeten elkaar zien – als ménsen, voorbij aan DSM-stempels of classificaties als ‘complex’ en ‘ernstig’.

Nu weet ik dat er genoeg mensen zijn die iets hebben aan het hokje waar ze in zijn gestopt. Rust, acceptatie, begrip, erkenning – om maar wat op te noemen. Floortje Scheepers: ‘Het is toch vreselijk dat mensen zich alleen erkend of serieus genomen voelen als ze een label aan hun klachten kunnen hangen? Als we een inclusieve samenleving willen, zouden we niet-begrijpen moeten kunnen verdragen, en erkennen dat kwetsbaarheid en onzekerheid onlosmakelijk onderdeel uitmaken van wie we zijn.’ (Trouw, 23 januari 2021). Ik vind het een groot maatschappelijk probleem dat we zoiets als een psychiatrisch hokje nodig hebben om ons gekoesterd te voelen.

Zelf heb ik dat nooit gevoeld bij een classificatie die ik kreeg, en ik heb er nogal wat verzameld. Geen enkele classificatie paste me, ik voelde me uit de voegen van de termen breken. Hulpverleners met het hart op de juiste plek zaten tegenover me en schotelden me medicatie, zorgpaden en geprotocolleerde behandelingen voor, passend bij de verkregen classificaties. Ik ging me echter niet beter voelen en zo hopte ik van hulpverlener naar hulpverlener, van instelling naar instelling omdat ik hier en daar werd afgewezen, met een groeiende lijst classificaties en al snel de stempel ‘complex’.

Hart tot hart

Wat hielp mij wel? Het klinkt simpel, maar dat is het in de praktijk niet: iemand die mij echt zag. Iemand die de worstelingen met mij aan durfde te gaan, erbij bleef, de zwaarte met me meedroeg maar me ook het gevoel gaf dat ik het zelf aankon. Iemand die mijn aanwezigheid waardeerde zonder dat het voelde als ‘therapietrucje’ – daar was tijd, veel tijd, voor nodig, want ik moest ervaren dat deze persoon er echt voor mij was, als mens, en dat vergt wederzijds vertrouwen, nabijheid en constante afstemming.

Daarmee is niet alles opgelost, maar dat hóéft ook niet. Ik zou het zo fijn vinden als we in de ggz niet naar een eindresultaat hoeven toe te werken, iets wat meetbaar is en effectief genoemd kan worden. Ik hoef niet symptoomvrij te zijn, maar wel een dragelijker leven leiden. En me gezien en gewaardeerd voelen in plaats van bestempeld als de ‘lastige patiënt met complexe problematiek’ is wel een eerste stap in dat proces.

Het gaat dus eigenlijk om medemenselijkheid en kwetsbaarheid. Van ‘hart tot hart’, zoals Floortje Scheepers in haar boek beschrijft. Maar hoe ziet dat eruit? Scheepers: ‘Laten we het verdragen dat er iets in die connectie tussen patiënt en hulpverlener kan zitten dat essentieel, maar niet te pakken is, niet te grijpen, niet te protocolleren, maar het is er wel. Het is er wel.’ (Sociale Vraagstukken, 9 februari 2021).

Interactie

Het is er wel. Laten we zoiets ‘werkelijks’ als interactie inderdaad ook weer niet willen kaderen, begrijpen en onderzoeken. Laten we nu eens met elkaar afspreken dat we het niet wéten, dat er geen waarheid is, geen oplossing en geen eindresultaat. Hoe meer we durven los te laten dat iets op een bepaalde manier moet, of een bepaalde naam moet krijgen, des te meer tijd we over hebben voor waar het om zou moeten gaan: contact. Van hart tot hart, van mens tot mens – zonder hokjes, richtlijnen en uitsluitcriteria voor zorg.

We zijn sociale, talig denkende wezens en met onze soortgenoten (non-)verbaal communiceren is de kern van ons bestaan. Dat is niet te meten. Het gaat om elkaar zíén. Dat is niet te onderzoeken. Het gaat om vertrouwen, wederkerigheid en kwetsbaarheid. Dat is niet te protocolleren en laten we dat alstublieft ook niet proberen.

Inclusie

Wat blijft er dan over? Dit: schrijven, delen, praten, zijn. En bovenal: durven. Durf mij en anderen met mij; mensen met mentale ontregeling, met zwaarte, met intens lijden, te zien en durf samen met ons het leven aan te gaan. Dat is een eerste stap weg van exclusie en richting inclusie.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *