In gesprek met

IN GESPREK MET (II): Sammie

Mijn website gaat over mij. Dat is logisch, maar ook een beetje saai. Daarom heb ik een rubriek in het leven geroepen: IN GESPREK MET. Ik ga in gesprek met mensen die ik interessant vind en stel vragen, veel vragen. Van dat gesprek maak ik een verslag en plaats ik op mijn website.

Ik worstel de laatste tijd veel met hechtingsproblematiek. Het idee was om in een blog voor mezelf uit te zoeken hoe mijn problemen met hechting in elkaar zitten, maar dat lukte me niet in mijn eentje. Daarom vroeg ik Sammie om hulp en had een fijn gesprek. Sammie is een pseudoniem.


Hechting: het begin

A: Hoi! Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat versta jij onder hechtingsproblemen?

S: Poeh, wat een lastige vraag meteen! Ik kan misschien beter vertellen wat ik versta onder hechting. Daarbij moet ik meteen denken aan ouders en kinderen. De ouder is opgegroeid tot een volwassen individu, dat zichzelf goed kent en in staat is om zichzelf te troosten. De ouder kan natuurlijk wel steun halen bij anderen, maar is niet afhankelijk van een ander. En al helemaal niet van het kind. Het kind wordt door de ouder gezien als een uniek individu en de ouder wil het kind graag leren kennen, puur zoals het is. De ouder laat het kind weten dat er geen goed of fout is in het voelen of ervaren van dingen, want dat is gewoon de unieke, eigen ervaring van het kind. Er is voor het kind dus een gezonde ruimte tot zelfexpressie. Daarnaast geeft de ouder duidelijke grenzen aan, want het is ook goed als een kind leert waar zijn ruimte ‘stopt’ en de gezamenlijke ruimte ‘begint’, de ruimte waarin je rekening houdt met anderen. Maar die ‘gezamenlijke ruimte’ is niet de enige ruimte die er is, gelukkig maar, en het kind voelt zich niet belemmerd om zich te uiten.

A: Wat mooi hoe je dit omschrijft: de eigen ruimte en de gezamenlijke ruimte. Ik denk dat dat bij mij af en toe nogal verwarrend was; de ene keer was het oké om mijn gevoelens te uiten en de andere keer was het ineens ‘raar’, ‘te veel’ of ‘ongepast’.

S: Ik zie hechting ook als iets consistents, iets waar je op kunt vertrouwen, iets wat er niet de ene dag wél is en dan weer niet. Hechtingsproblemen zie ik dus bijvoorbeeld bij kinderen die helemaal geen ruimte voor zichzelf hadden, of juist veel te veel. Of bij kinderen die nooit grenzen hoorden, of juist continu. Kinderen die onvoorspelbare ouders hadden, die er het ene moment wel waren en dan weer niet, of die er nooit waren, of er juist áltijd waren en daarmee de aanwezigheid van het kind volledig overschaduwden. In een gezond hechtingspatroon geeft de ouder ruimte voor expressie aan het kind, vraagt het geen emotioneel werk van het kind (bijvoorbeeld troost of bevestiging) en is de ouder enigszins consistent in zijn gedrag.

Help! Relaties…

A: Je legt duidelijk uit hoe er van alles scheef kan lopen in de hechting tussen ouder en kind. En hoe verwarrend het dan kan worden. Ik ben vaak in de war in contact met anderen. Zo verwar ik bijvoorbeeld genegenheid met verliefdheid en kan ik me obsessief aan iemand hechten. Niet geheel toevallig gaat het dan vaak om oudere mannen die slim zijn, verbaal sterk en een bepaalde controle over me uitoefenen. Herken jij ook bepaalde patronen?

S: Ik dacht altijd dat dat gevoel wat jij omschrijft verliefdheid was, tot ik een keer écht verliefd werd. Dat voelde totáál anders. Meer zoals de rustige schaapjes in de wei en minder als dat verzengende gevoel dat je het idee geeft emotioneel een slaaf te zijn van iemand. Dat is géén verliefdheid, vind ik inmiddels. Als ik het nu weer voel (ik heb het vaak bij een bepaald type vrouw) verwar ik het dus ook niet meer met verliefdheid, gelukkig. Ik heb met mijn psychiater ook een soort persoonsomschrijving gemaakt van de vrouwen met wie ik dit altijd heb. Als ik dan weer al die heftige gevoelens heb bij zo’n vrouw, denk ik: gáán we weer. Daarnaast heb ik met mijn psychiater ook precies in kaart gebracht wat dan mijn valkuilen zijn bij zo’n vrouw, zodat ik er ook heel bewust voor kan kiezen om niet op de automatische piloot te reageren op wat zo’n vrouw (onbewust en onbedoeld) in me losmaakt. Dat maakt de hechting met die persoon na verloop van tijd ook rustiger, fijner voor mij, minder heftig.

A: Dat is toch onwijs vermoeiend! Om steeds zo bewust met jezelf te checken wat er gebeurt en met wie. Vind je sociale relaties nog wel leuk?

S: Ik ben in sociale relaties vooral cóntinu bang. Ik ben als de dood dat ik iets doe, waardoor die ander op mij afknapt of boos op me wordt. Ik heb ook altijd het idee dat ik dat nóóit meer goed zou kunnen maken. Het zou in één klap helemaal over zijn tussen ons, alle banden zouden acuut aan flarden worden gescheurd. Ik ben dus altijd heel alert op bepaalde cues, bepaalde triggers, dat is in mijn geval met name: onvoorspelbaarheid (dus als iemand bijvoorbeeld snel wisselt van gemoedstoestand of plots een onverwachte grens opwerpt). Ik ben de ander continu aan het aftasten, ben altijd aan het voelen hoeveel ruimte ik mag innemen en of iemand me al niet meer mag. Dat heb ik voornamelijk bij mensen die ik zelf heel prettig vind. Bij andere mensen heb ik het wat minder, maar toch: in elk sociaal contact ben ik bang, alert en op mijn hoede en heel hard aan het werk om continu te zorgen dat die ander mij nog wel aimabel vindt.

A: Continu de ander aftasten, dat herken ik zo enorm. Het voelt alsof ik geen basis heb waarop ik kan terugvallen, geen zekerheid dat mensen blijven, of dat ik zelf blijf. Daardoor vind ik het onwijs lastig om relaties (vriendschappelijke en romantische) te onderhouden.

S: Ja, écht diepe, langdurende vriendschappen, die vind ik erg moeilijk. Ik heb een paar diepe vriendschappen gehad, maar die zijn stukgelopen door een plotselinge move van mijn kant, of door uit elkaar te groeien. Ik heb ook veel kortdurende intense momenten gehad met mensen, maar het beklijft niet. Ik denk dat de vraag hierin vooral is: waarom ga IK weg? En minder: waarom gaan die anderen bij mij weg? Ik ben zelf degene die zich uiteindelijk terugtrekt, vaak omdat ik toch niet vind wat ik zoek.

A: Wat zoek je?

S: Ik zoek… ja, vulling voor de leegte en de eenzaamheid in mezelf, denk ik. Daarbij voel ik me heel vaak niet écht verbonden met mensen en geven vriendschappen me daardoor weinig vervulling. Ook dat ligt voornamelijk bij mij: ik vind het heel moeilijk om tijdens sociaal contact mijn emoties te blijven voelen. Dat maakt dat ik vaak handel op de automatische piloot en mezelf eigenlijk totaal niet laat zien. Achteraf ben ik dan uitgeput, soms dagenlang, en voel ik me vooral enorm eenzaam en verdrietig. Ik blijf het wel proberen met de vriendschappen, omdat ik het heel belangrijk vind om een sociale kring te creëren. Het gaat langzaam iets beter, ik leer om mezelf te blijven voelen in contact, mijn lichaam en mijn emoties, maar damn: ik vind vriendschappen echt ongelooflijk lastig.

A: Zo omschrijft mijn therapeut het ook: omdat ik niet echt verbonden ben met mezelf en van mezelf wegga tijdens contact met de ander, raak ik uitgeput en ontstaat er een gevoel van eenzaamheid. Je doet het heel goed, vind ik. En ik weet ook dat je al een tijd een romantische relatie hebt, stiekem ben ik heel benieuwd naar hoe dat dan gaat en voor je is.

S: Ik heb sinds 2,5 jaar een romantische relatie, ja. Dat was de eerste anderhalf jaar echt een totale ramp: ik wilde minstens 50% van de tijd gillend wegrennen omdat ik me doodsbang voelde en gigantische pijn en vermoeidheid voelde. Ik wilde niets liever dan weer in mijn veilige, vertrouwde eentje zijn. Mijn psychiater zei toen: ‘als je nu volhoudt, kun je voor de rest van je leven weer relaties aangaan.’ Dat heb ik in mijn oren geknoopt en ik ben gebleven. Ik ben gebleven, heb mijn emoties getoond, ben blijven voelen. En geloof me, dat was een van de verschrikkelijkste en moeilijkste dingen die ik ooit heb gedaan, maar het was het waard. Inmiddels heb ik met mijn vriendin een relatief rustige relatie. Soms triggert ze me nog en dan ben ik in volslagen paniek aan het broeden op manieren om te vluchten, maar een groot gedeelte van de tijd ben ik vooral blij dat ze er is. Ze lost niets voor me op, ze fixt mijn problemen niet, maar ik vind het ontzettend fijn dat ik weet dat zij bij me is en getuige is van wie ik ben en wat ik voel.

Hechting in therapie: oefenen met de psychiater

A: Dat klinkt heel fijn en erg gezond. Vooral het gedeelte waarin jullie ‘gewoon’ samen kunnen zijn, zonder elkaars problemen op te moeten lossen. Jullie hoeven elkaar niet te verbeteren, jullie mogen zijn. Je noemt al een aantal keer dat je veel hebt gehad aan het contact met je psychiater. Hoe helpt dit contact jou?

S: Ik volg al bijna vier jaar psychotherapie bij een psychiater. Die behandeling werkt omdat zij letterlijk tegen mij heeft gezegd aan het begin: je mag oefenen met mij. Dus ik heb nu een band met haar en die is ook echt door al die stadia gegaan: ik heb haar weg geprobeerd te duwen, ik heb zelf willen vluchten, ik heb haar getest, ik heb inténs veel van haar gehouden en me afhankelijk van haar gevoeld, en ik heb me juist volledig afgescheiden van haar gevoeld. Al die dingen die ik ook voel met mensen in het dagelijks leven, heb ik ook met haar gevoeld. Met als voordeel dat ik het altijd met haar kon bespreken: wat gebeurt er nu? Zij had de kennis om samen met mij te duiden wat er gebeurde in ons contact en waar dat vandaan kwam. Dat was en is echt zo enorm waardevol.

A: Ik heb eerst opnieuw moeten leren voelen, of eigenlijk: mógen leren voelen. Nu ik weer ‘aan’ sta, voel ik zo veel pijn en verdriet als het aankomt op die hechting. Het voelt soms alsof ik uit elkaar knal van gevoel voor iemand. Dat ervaar ik ook in contact met mijn therapeut. De gevoelsstadia die je beschrijft, herken ik. Ik moet mezelf eraan blijven herinneren dat hij mijn therapeut is, en niet mijn vader, vriend of partner – wat soms pijnlijk is. Hoe houd jij die dingen uit elkaar?

S: Het feit dat ik in de band met mijn therapeut alles mag vóelen en oefenen, is voor mij belangrijk. Ook de extremen mogen daar zijn en kunnen we samen belichten. De extremen die veilig zijn bij haar, omdat zij de kennis bezit om het te kunnen duiden en tegelijkertijd toch énige afstand, zodat ze zich er niet volledig door laat meeslepen. Want natuurlijk is ze niet zó dichtbij als een echte vriendin. Stiekem verlang ik daar natuurlijk wel eens naar, maar het feit dat ze nabijkomt en tegelijkertijd één veilig stapje afstand houdt, maakt eigenlijk dat ze de boel ook goed kan blijven observeren. Dat is ook wat waard: het houdt de band veilig en professioneel.

A: Rationeel snap ik dat natuurlijk heel goed: de therapeut blijft een therapeut, juist omdat dat veilig is en we dan in een veilige omgeving kunnen oefenen met hechten. Maar gevoelsmatig… Mijn gevoel schreeuwt alsnog: waarom hou je niet van mij zoals ik wil? Waarom blijf je op deze afstand? Waarom wil je niet bij me zijn? Wat doe jij met dit gevoel?

S: Ik heb dat ook heel erg gehad en heb het haar ook wel eens in haar gezicht geslingerd, die gevoelens en gedachten daarover. Maar ik ken haar nu al zo lang, dat ik steeds meer merk dat wij ook echt een band hebben, gewoon op mens-niveau. Het heeft lang geduurd, maar inmiddels vertrouw ik erop dat wij op een gegeven moment langzaam richting een andere band zullen gaan dan ‘psychiater’-’patiënt’. Ze zal nooit mijn BFF worden, dat zou ik ook absoluut niet willen trouwens, maar ik vertrouw er wel op dat ik haar af en toe zal blijven zien en spreken, op een manier die voor ons beiden goed (en gezond!) voelt. Ze heeft ook wel eens tegen mij gezegd dat we het daar te zijner tijd ook gewoon over kunnen hebben met elkaar. Ik vrees dat mijn verhaal vrij ‘uniek’ is op dit punt. Niet alle hulpverleners willen of kunnen dit, niet alle banden die hieruit ontstaan zullen gezond zijn. Voor mij is het enorm fijn dat ik weet dat het waarschijnlijk zo zal gaan. Dat geeft rust. Ik zou hier anders ook ontdaan over zijn (en ben dat ook wel geweest toen ik nog niet wist dat het deze kant op zou ontwikkelen). Al geloof ik wel dat het richting het einde van de therapie makkelijker wordt, omdat je iemand dan niet meer ‘nodig’ hebt om al die leegtes in jezelf te vullen. Dan wordt het ook makkelijker om iemand los te laten en tegelijkertijd te voelen dat iemand niet ‘verdwijnt’ maar gewoon als mens verder blijft bestaan.

Wanneer is het goed (genoeg)?

A: Hoeveel last ik ook kan hebben van die intense hechting en heftige emoties, ik zie dat ook ergens als een kracht. Iets wat ik niet per se kwijt zou willen, want dan lijkt het leven me ook weer saai. Herkenbaar?

S: Zeker herkenbaar! Als ik me dan eens verbonden voel, dan voel ik het ook tot in al mijn vezels en ben ik enorm geraakt. Dat zou ik niet willen missen. Tegelijkertijd denk ik dat dat niet zozeer door de hechtingsproblematiek komt, maar dat het een eigenschap is die íedereen in zich heeft, maar waar maar weinig mensen bij komen in hun leven. Het voordeel van hechtingsproblemen is dan weer dat wij zó bewust bezig zijn met hechting dat we dus misschien ook sneller stuiten op de mooie kanten ervan… Of dat we sneller intens tevreden zijn met heel weinig.

A: Bedankt voor dit gesprek en je duidelijke antwoorden. Het helpt me, maar het maakt me ook ergens wel verdrietig, omdat ik het idee heb dat ik nog wel een heel proces moet doorlopen. Wat zou ik graag willen dat ik een soort basisvertrouwen heb, dat ik niet steeds bang ben dat anderen weggaan en dat ik duidelijk heb wat mijn grens is wat betreft emotionele en/of fysieke intimiteit. Komt het ooit goed?

S: Ik snap dat je dat wilt. ‘Komt het ooit goed?’ hangt af van wat je goed noemt. Komt het pas goed als jij alles aankan, deze gevoelens nooit meer hebt, altijd gezonde banden aangaat? Of is het al goed als je jezelf kunt vergeven en toestaan dat je dit voelt? Dat laatste is voor mij een belangrijk moment geweest: mezelf gaan steunen in dat ik dit nu eenmaal voel, in plaats van het dwangmatig weg willen hebben. Nu ben ik in contact met mensen, voel ik me inwendig trillen en denk ik ‘ach meis, het is spannend hè!’ Niet altijd hoor, maar soms lukt dat. En gek genoeg maakt dat mijn banden ook beter, omdat ik mezelf niet verloochen. En doordat ik nu altijd ‘bij mezelf ben’ ga ik ook minder snel over mijn grenzen, want ik voel ze nu namelijk veel scherper aan. Het is niet dat ik nu denk ‘ik vind mezelf goed genoeg’, maar wel dat ik denk: ‘het is oké om bij mezelf te zijn en mezelf niet keer op keer te laten meemaken wat ik vroeger al heb meegemaakt’. Ik gun het mezelf om nieuwe en andere ervaringen te hebben. Maar dat betekent niet dat ik al die oude gevoelens nooit meer voel. En dat verwacht ik ook niet meer van mezelf, dat ik ze niet voel. Dat mag nu.

Meer lezen van Sammie? Zie: https://dsmmeisjes.nl/author/sammie/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *