Dood willen is niet gezellig

Het is vandaag 10 oktober, World Mental Health Day, en ik wil schrijven over een mental health ‘dingetje’ dat niet veel wordt besproken: doodsdrift. Maar het gaat ook over De volgende scan duurt vijf minuten van Lieke Marsman. En over dat het niet leuk is om te horen dat iemand dood wil en hoe je zou kunnen reageren.

Met mijn psychiater besprak ik eergisteren mijn terugkerende dwanggedachten, die hij liefkozend beschrijft als: ‘je gaat weer ojee-en’. Een vaak voorkomende ojee is: ojee, straks gaat mijn kat dood, omdat ik niet goed voor haar zorg. Dan kom ik straks thuis en ligt ze daar: levenloos. Hartstikke dood. Ik kan dat niet aan, dus moet ik dood.

Voor veel mensen (hopelijk veel) is dat gevolg onlogisch en vooral heel groot. Mijn psychiater vroeg me plagend: ‘dus je kan het niet aan als je poes doodgaat? Je gaat liever zelf dood?’ Ja. Ik ga liever zelf dood. Hij legt uit dat ik worstel met existentiële problematiek, angst voor rouw en waar dat mogelijk in mijn jeugd is begonnen. Ik ga heftige gevoelens liever onherroepelijk uit de weg dan dat ik ze moet meemaken, moet verdragen. Het gaat natuurlijk verder dan het voorbeeld met mijn lieve kat.

Doodsdrift, ik vind het een mooi woord. Volgens Freud, die met de term kwam, betekent het zo ongeveer ‘het streven naar de opheffing van alle spanning’. Er is veel kritiek op Freud z’n theorie over de driften, maar naar mijn idee klopt zijn beschrijving van de doodsdrift wel. Of zoals Ad Kerkhof, hoogleraar Klinische Psycholoog, in een interview met NRC Handelsblad in 2014 zegt: ‘mensen die suïcide plegen, willen helemaal niet dood. Ze willen stoppen met denken en voelen, ze willen zichzelf beschermen tegen de kwellende gedachten die ze de hele dag door hebben.’

In mijn leven is de dood altijd een oplossing geweest. Iets onherroepelijks, maar wel een oplossing, vaak zelfs een logische oplossing. En door op die manier te leven, sta ik anders tegenover de dood dan andere mensen, denk ik.

Dat bedacht ik me vooral toen ik vanmiddag De volgende scan duurt vijf minuten van Lieke Marsman las. Lieke is mijn leeftijdsgenoot, ook dichter, schrijver en gediagnosticeerd met kraakbeenkanker. De kwaadaardige tumor is weggesneden, maar ze kan haar arm niet meer volledig bewegen. We zijn even oud en allebei bezig met de dood, in ons leven en in onze teksten, zij het op een verschrikkelijk verschillende manier. In haar teksten beschrijft ze de angst om te ‘verdwijnen’ – een angst die ik niet herken. Voor mij kan het eerder een verlangen zijn.

Aan de andere kant is haar tekst weer erg herkenbaar. Hoe ze kanker in de taboesfeer beschrijft, dat mensen ongemakkelijk worden rond haar ziekte en vooral het volgende:

Zeventwintigjarige lijven horen bovendien niet ziek te zijn, en als ze ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?

Een ander belangrijk thema dat Lieke Marsman in haar bundel aansnijdt is het hebben van ‘pech’, een woord dat Klaas Dijkhoff van de VVD noemde bij zijn voorstel om de bijstand te verlagen. Waarom de meeste mensen in de bijstand terecht komen, is geen pech te noemen. En dat ontkennen, is volgens Marsman ‘een miskenning en een grove belediging van iedereen die ooit te maken heeft gehad met chronische armoede, ziekte of beide’.

Dijkhoff z’n uitspraak over pechvogels in de bijstand is stigmatiserend te noemen. En over stigma’s gesproken: wat denk je van stigma’s met betrekking tot doodwillers? Ad Kerkhof zegt in het hierboven genoemde interview met NRC Handelsblad: ‘Uiteindelijk word je wakker op de spoedeisende hulp. Veel mensen zeggen: als je niet echt dood wilt is het geen suïcidepoging. Maar dat is het wel.’ Andersom heb ik het ook meegemaakt: ‘als je echt dood wilt, doe je geen suïcidepoging.’ Ik hoor die reactie nog steeds als ik mijn verhaal vertel. Ook in de ggz. Dat doet zo ontzettend veel pijn. In mijn diepste dal word ik niet serieus genomen en veroordeeld. En dan wil ik het uitschreeuwen: wat weet jij er nou van? Dat is precies wat het is: de meeste mensen weten er niets van. Daar kunnen zij ook niet zo veel aan doen. Behalve naar mij luisteren.

Dat is ook wat Anke Laterveer schrijft in haar stuk Wat je beter niet kunt zeggen: ‘Verder kun je luisteren. Probeer dat zonder oordeel te doen. Neem de ander serieus. Ga niet alles wat we zeggen ontkennen, maar luister, herhaal en bevestig dat het je verschrikkelijk lijkt om je zo te voelen.’ In dit stuk noemt ze ook de reacties die ze hoort als ze uit dat ze liever dood wil. Die reacties ken ik maar al te goed en hoewel ze goedbedoeld zijn, is elke reactie een ontkenning, een afwijzing. Natuurlijk, dood willen is geen normale behoefte, maar ik heb die behoefte toch. Dat vind ik zelf ook heel vervelend.

Tot slot: nog twee dingen. Hierboven schreef ik dat Lieke Marsman en ik allebei bezig zijn met de dood, zij het op een verschrikkelijk verschillende manier. Ik wilde dit verschrikkelijk eigenlijk weghalen bij het nalezen, maar ik wil er liever iets over zeggen. Waarom heb ik voor dat woord gekozen? Om aan te geven dat het me spijt – dat mensen ziek worden en bang zijn om dood te gaan, terwijl ik dat niet heb en vaak speel met de gedachte dood te willen. Maar misschien is het helemaal niet zo vérschrikkelijk verschillend, want ik ben misschien niet bang om dood te gaan en kan dood willen, maar ik moet óók vechten om te blijven leven.

Echt tot slot: ik citeer Anke Laterveer: ‘Want er is maar een ding erger dan dood willen en dat is dood willen en er met niemand over kunnen praten.’ Dood willen is niet gezellig, maar het mag er wel zijn.

Gerelateerde artikelen