Poëzie

Drieluik, naamloos

– i –

Je lichaam slechts nog
omhulsel van stukjes vel.
De halen aan je nagelriemen
bewijzen dat van alles
niks meer over is.

Hoeveel herinneringen wil je
houden op een plek
waar geen plaats meer is?

Je krabt aan je wang
om te schuilen

achter je ogen
zwijgt een kameleon.

– ii –

Je dooft gemakkelijk uit
nu duizenden gedachten je huid
ineen doen krimpen, nu jij
niet meer in die van mij verdwaalt.

Mijn ogen schuren
je lippen rood.
Ik blijf kijken naar het
schokken van je schouders,
de wimpers die je een voor een verliest.

Tussen ons in ligt de liefde verdraaid
goed dood te gaan.

Met wat vocht trek ik
je wenkbrauwen glad
op je oogleden teken ik
langzaam wie je had moeten zijn.

– iii –

In mijn neus nog je
vochtige oksels,
mijn lippen landen
waar jij als laatst bent geweest.
Jouw rug tegen de muur
en mijn vingers
over en weer.

Wat ik zag was niet
de huid onder je ogen,
gebarsten mondhoeken
of de botten die je
kleding doorschijnen
maar onze lichamen hier.

Gepubliceerd in Hollands Maandblad 2018-1.