R

Ik ken je als vier mensen:
vader, geleerde, geliefde, concurrent.

Voor de deur trek ik alles uit.
Jij haalt adem, knippert
een kleur die ik niet herken
(hebben wij alle kleuren al gezien?)

In ons gesprek slaap ik dicht tegen je aan
en ruik nat gras, golven, betekenis,
gaten en wonden die zich herhalen, een zee
die zichzelf steeds weer terughaalt.

Waarom moet ik in je liggen?
Kind en vader – drager,
kind en verleider, verrader, man.

Man, dring jezelf naar binnen en slurp
de geur van dood bloed en dampend
braaksel op.

Nee.
Jij bent de man die knippert
om mij steeds beter te zien.
Ik wurm me in jouw bast,
kies de kleur van mijn ogen uit.

Gerelateerde artikelen