Proza

Geurloze


Het gebeurt weleens dat ik overmeesterd word, bijvoorbeeld wanneer ik naar m’n zichzelf wassende kat kijk. Op die momenten, wanneer zij in een voor mij onmogelijke en doodvermoeiende yoga-positie zachtjes aan haar pootjes knabbelt, hou ik zo verschrikkelijk veel van haar. Het liefst zet ik daar de tijd stil, sla het moment op, houd mijn adem in. Alles wat daarna komt is een anticlimax: het gevoel vervaagt, de dag gaat verder, de realiteit tikt door. Er is niets zo saai als de werkelijkheid. Een stroperig verloop van de dingen.

Dit, zo ongeveer, voel ik ook hier vandaag, voor jou. Als een dappere veldheer houd je het gesprek overeind, ook wanneer ik de discussie met je aanga over het feit dat de man die mij had aangeraakt daar gewoon betaald voor krijgt, en dat er wel iets gruwelijk mis moet zijn met mij als ik die mensen in mijn leven nodig heb. Mensen die hun werk doen, mannen voor wie ik met achternaam op een vast tijdstip op een doordeweekse dag in hun agenda sta.

“Genegenheid van anderen vervulde me met angst, en wanneer het aanhield met argwaan. (…) Want voor liefde moest betaald worden.”

Terwijl je fanatiek doordraaft, woorden tegen me aan gooit, denk ik aan mijn kat en hoe raar het is dat jullie elkaar nog nooit hebben ontmoet. Ik vraag me af of ze ook in jouw enkels zal bijten, zoals ze deed toen er een tijdje verschillende mannen over de vloer kwamen. Elk nieuw mannelijk personage dat ruw mijn slaapkamerdeur opende, waarschuwde ik voor mijn enkelbijtende kat. Er waren mannelijke voeten die een vochtig streepje bloed achterlieten in mijn onderlaken. Er waren klauwen die mijn rug openscheurden om er organen uit te halen en er lege hulzen voor terug te plaatsen.

Maar dit, hier, wil ik herhalen. En nog een keer, nog een keer. Ik wil in armen en in armen gehouden worden, dichterbij dan die anderhalve meter. Ik zie mezelf op je klimmen, in je verschuilen, je geur opdoen. Al die jaren ben je geurloos gebleven, hoe hard ik je ook probeer op te snuiven. Het is iets wat al talloze dagen niet gebeurt: op een onbewaakt moment lopend tussen naar kruiden geurende huiskeukens ineens jou te ruiken. Dagen die ik nooit meer terugkrijg, zoals de dagen waarop geuren van andere mannen mij naar het verleden trekken. Mijn lijf brult, ik schreeuw omdat ik niet langer ontkend wil worden. Dat ik voor jou een mens ben als velen en jij voor mij de enige.

We zitten tussen generaties in: te ver om elkaar lief te hebben, te dichtbij om elkaars lief te zijn. Je zegt dat ik me aan jou mag opwarmen. Ik voel een gloed die mij als kind had moeten vullen, maar ik kende alleen flikkerende lichtbundels. Wat ik me afvraag: hoeveel overhemden moet ik van je lostrekken om het kind in je te vinden? Waar is die jongen gebleven, hoe speelde hij, welk vuur deed je voortbestaan, wist je om te gaan met je ledematen, was er een leegte in dat lijf?

Ik weet dat er een dag komt waarop de ruimte waarin we elkaar steeds ontmoeten langzaam haar betekenis verliest. En ik schokschouderend misschien nog met mijn neus je schouder aantik. Ik wil je zo graag vertellen wat zich onder mijn talloze luiken schuilgaat, maar er is te veel om bang voor te zijn. Dat je het niet gaat begrijpen, het meisje in mij afwijst en dat je het zat raakt om in mijn taal te graven. Mijn woorden zijn geen straf, geen valstrik, geen motie van wantrouwen. Mijn taal is een landkaart. “Ik was mijzelf. Maar wat hield dat in?”

(De citaten komen uit Allesverpletterende van Nicolien Mizee)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *