Nooit meer dichtbij

‘Misschien mag je de hoop wel loslaten. Hoop loslaten is niet hetzelfde als de hoop opgeven.’

Kan je helen in kamers die je hebben beschadigd? De afgelopen jaren ben ik bezig geweest met deze vraag. Ik heb hoop gehad. Hoop dat er ergens toch nog een passende behandeling zou zijn. Hoop dat ik kon helen wat me overkomen was – juist in de kamers van de ggz.

In alle kamers waar ik kom, schuif ik mijn stoel ver naar achteren en houd mijn blik vrij op de deur. Ik vertel elke volgende zorgprofessional – mensen die beslissen over of ik in behandeling mag – dat ik niet wil dat een behandeling een groot en belangrijk deel van mijn leven wordt. Nooit meer. Dat een behandeling, en daarmee een behandelaar, ruimte inneemt. In mijn wereld, in mijn zijn.

In alle kamers waar ik kom, schuif ik mijn stoel naar achteren en sta op. We gaan het bespreken, hoor ik. Wie ‘we’ zijn en wat ‘het’ precies is, vraag ik allang niet meer. Ik knik, loop dicht langs de muur richting de deur en laat dan pas mijn adem los. Mijn schouders nog tot aan mijn oren kijk ik om me heen. Ik tref zijn gezicht in elk gezicht dat me tegemoetkomt.

Vaak kom ik daar niet eens, in de intakeprocedure. Er is geen behandelaanbod voor mijn ‘problematiek’ bijvoorbeeld, ik heb niet de juiste diagnose of juist een te ‘complexe’, of: ik woon niet in de juiste regio, of: ik heb geen lopende ambulante behandeling als back-up voor een intensieve behandeling, of: het gaat om onverzekerde zorg.

Soms zit ik wel in zo’n kamer op zo’n stoel en maak kennis met een volgende zorgprofessional. Kijk strak naar de deur wanneer die persoon ‘zichzelf even voorstelt’. Hoor vaag iets over leeftijden, woonplaatsen, hobby’s en gezin. Ergens tussen hobby’s en gezin wordt het zwart. Daarna strompel ik de deur uit. Mijn wang vanbinnen kapotgebeten. Na deze gesprekken houd ik de kans op een mogelijke behandeling zelf af. Een praatje over hobby’s betekent gevaar.

Nooit meer wil ik dichtbij.
Nooit meer wil ik iets weten over het persoonlijke leven van mijn behandelaar. Nooit meer ín het persoonlijke leven. Nooit meer wil ik dat die persoon het belangrijkste is en dat alles moet wijken. Nooit meer kijken naar tranen, niet weten of ik ze op moet vegen. Nooit meer twijfelend voor de kledingkast staan, mezelf minstens drie keer omkleden, in de hoop dat die persoon me weer mooi vindt. Nooit meer dagen- en avondenlang contact. Nooit meer knie tegen knie. Nooit meer niet mogen zeggen dat ik iets niet wil, omdat ik anders niet gemotiveerd genoeg ben om beter te worden. Nooit meer horen dat het veilig is, nu, dat het niet meer is als toen. Nooit meer gered moeten worden. Nooit meer: ‘omdat je anders doodging’.

Natuurlijk, iets vertellen over een hobby is niet meteen ‘gevaarlijk’. Dat weet ik ook wel. Dat wéét ik. Maar ik weet niet hoe ik het gevoel van onveiligheid kwijtraak in kamers die me zo onveilig laten voelen. Tegenover personen die overwicht hebben, die over mij beslissen. Die iets te zeggen hebben over wie ik ben, wat ik voel, wat ik heb meegemaakt.

Het lukt me niet uit te leggen welke reeks gebeurtenissen in mijn hoofd wordt aangezet als een behandelaar over hobby’s begint te praten. Het lukt me niet woorden te vinden voor hoe die gebeurtenissen weer andere gebeurtenissen aanzetten. Het lukt me niet uit te leggen dat ik hulp nodig heb, juist, en dat ik echt gemotiveerd ben wel, maar dat hulp alleen al het engste is.

Ik krijg het niet voor elkaar om dit goed uit te leggen, terwijl ik ook nog door systeemvoorwaarden, regioafspraken, geldzaken en behandelprotocollen moet ploegen. Als ik al ergens in behandeling zou mogen, moet ik vooral dankbaar zijn.

Maar, soms, denk ik: ik leg het eigenlijk prima uit. In de stilte die vervolgens valt, hoop ik dat de ander het hoort en met mij uit wil zoeken hoe een behandeling misschien wel zou kunnen passen. Hoe ik nog een eigen persoon kan zijn, niet moet bewegen naar het voorbeeld dat de behandelaar stelt. Hoe een behandeling mij niet helemaal overhoop en ik nog kan ademen tussendoor.

Stilte.

‘We gaan het bespreken.’
Ik knik, ja, ik begrijp het. Ja. Jullie gaan het bespreken. Ja. Ik hoor het wel dan. Ja.

Misschien mag ik de hoop loslaten.

Ik loop de deur uit. Krachtiger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *