Persoonlijk

Niet alleen, wel eenzaam

Eenzaamheid is een modewoord aan het worden. Ik lees over toenemende eenzaamheid en dan niet alleen onder ouderen, maar ook onder jongeren en vooral onder stadsbewoners. Er heerst een zogenoemde eenzaamheidsepidemie.

Die epidemie wordt vaak verklaard vanuit een gebrek aan gemeenschappen en de meer individualistische samenleving. Yuval Noah Harari beschrijft in Sapiens hoe de wetenschappelijke revolutie ons eenzamer heeft gemaakt: ‘We kunnen zelf onze partners, vrienden en buren kiezen, maar die kunnen er ook voor kiezen om bij ons weg te gaan. Nu we als individuen meer macht dan ooit tevoren hebben om onze eigen weg in het leven te bepalen, valt het ons steeds moeilijker om verbintenissen aan te gaan.’

Hoewel ik me hierin en in andere ‘verklaringen’ voor de eenzaamheidsepidemie kan vinden, sluit het toch niet helemaal bij mijn gevoel van eenzaamheid aan. Het werd me duidelijker toen ik las over het onderscheid tussen sociale en emotionele eenzaamheid. Bij de laatste gaat het om de afwezigheid van hechte en intieme relaties wat leidt tot gevoelens van angst, verlatenheid en waakzaamheid. Sociale eenzaamheid heeft meer te maken met een gebrek aan sociale netwerken en gevoelens van verveling, depressiviteit en doelloosheid (Weiss, Loneliness: The experience of emotional and social isolation, 1973).

Intiem contact vermijden

Ik kan de gevolgen van emotionele eenzaamheid volledig beamen: gevoelens van angst, verlatenheid en waakzaamheid. Ik ben bang om verlaten te worden op het moment dat ik mezelf meer aan de ander hecht, ik ben bang dat ik niet genoeg ben voor die ander en ik ben bang dat ik zelf te hoge verwachtingen heb. Daarnaast ben ik ontzettend waakzaam en zelfs bijna verbitterd als het aankomt op contact maken met de ander. Die twee zitten elkaar natuurlijk enorm in de weg: ik wil veel meer intieme contacten aangaan om mijn eenzaamheid te verhelpen, maar vermijd die intimiteit vaak uit heftige angst en boosheid.

Intimiteit gaat in dit geval dan niet alleen over lichamelijk contact. Het gaat ook over het kwetsbaar opstellen en non-verbaal contact maken. Ik heb een batterij aan onbewuste vermijdingstechnieken als het aankomt op intiem contact maken. Technieken die in therapie worden benoemd en uitgedaagd, wat niet alleen doodeng, maar ook doodvermoeiend is. Oogcontact is zoiets: ik maak heel gecontroleerd oogcontact. Ik weet namelijk dat het beleefd is om oogcontact te maken, dus dat heb ik mezelf aangeleerd. Maar, ik kijk mensen alleen in hun ogen als ik duidelijk weet wat te zeggen of als de ander aan het woord is. Op het moment dat mij iets wordt gevraagd, ik nadenk of er een stilte is, kán ik geen oogcontact maken. Dan ben ik te bewust van het contact, van het feit dat ik besta en dat er iemand anders is die naar me kijkt en een mening over mij vormt. Ik kan het simpelweg niet aan om er gewoon te zijn.

Wegkijken en weg zijn

Oogcontact is eenvoudiger wanneer het contact niet zo spannend is, bijvoorbeeld bij een onbekende of een vage kennis. Maar juist bij mensen van wie ik wil dat ze bij me blijven, is intiem contact maken en in contact blijven ontzettend lastig. Zeker wanneer het minder goed met me gaat, gebeurt het vaak dat ik uit contact ga. Dat gebeurt niet bewust, maar ik voel wel dat mijn lichaam aangeeft dat de angst zo hoog is dat er eigenlijk maar één optie is: wegkijken en ‘wegdraaien’. Je zou het ook dissociëren kunnen noemen, maar ik weet nog steeds niet goed wat er gebeurt als het gebeurt. Doordat ik wegkijk, verlies ik het contact met de ander maar ook met mezelf. Ik ben op dat moment niet bij bewustzijn, maar kan wel lopen, fietsen, eten, gevaarlijke dingen doen – ik weet er later alleen niets meer van. Hoe vaak ik wel niet netjes van therapie in Utrecht weer thuis in Rotterdam ben beland, maar geen idee heb hoe, is niet op beide handen te tellen.

Coping, maar waarom?

Ik heb geen gebrek aan een sociaal netwerk, maar ik tast wel in het duister als het aankomt op me hechten aan een ander mens. Er bestaat een continue mist tussen mij en de ander. En dat heeft niets met de ander te maken. Het zijn mijn vermijdingstechnieken, waarvan het controleren van oogcontact er slechts één is. Wat betreft die andere technieken tast ik ook nog in het duister. Ik heb zo veel zogenaamde ‘coping’, wat vooral automatisch en onbewust gebeurt.

Volgens de psychologische theorie zet iemand coping in als overlevingstechniek. Zo zouden mijn vermijdingstechnieken ook een overlevingstechniek moeten zijn. Ik weet niet waarom en voor wanneer dan. Sowieso niet voor het huidige tijdperk, ik loop nu geen gevaar. Coping begint vaak al in de kinderjaren. Maar ik kan nooit een situatie of moment benoemen wanneer ik dan die overlevingstechniek ben gaan inzetten. Het waarom is dan ook vaak niet zo interessant, maar het kan wel helpen in het herkennen en aanpakken van die coping.

Angstig gehecht

Wat ik wel weet is dat mijn coping en emotionele eenzaamheid te maken hebben met hechting. Eenzaamheid en hechting gaan vaak samen. Uit onderzoek blijkt dat angstig en vermijdend gehechten (hechtingsstijlen, lees er hier meer over) meer eenzaamheid ervaren. Volgens de hechtingstheorie hebben angstig gehechten een sterke behoefte aan nabijheid, geaccepteerd worden, gerustgesteld worden, veel zorgen over relaties en angst voor afwijzing (Shaver & Mikulincer, Attachment-related psychodynamics, 2002). Angstig gehechte kinderen (en als het niet opgelost is; volwassenen) zoeken veel contact met de opvoeder, maar worden hier niet altijd (volledig) in gezien. De opvoeder sluit bijvoorbeeld sensitief niet helemaal aan bij het kind, is inconsequent of niet geestelijk en/of lichamelijk aanwezig op cruciale momenten.

Ik kan me wel in die theorie vinden. Ik heb een enorme behoefte aan nabijheid, aan symbiose bijna, maar voel een enorme angst voor afwijzing. Afwijzing kan dan al in de kleinste dingen zitten: een verkeerd woord, niet reageren op een bericht, een opgetrokken wenkbrauw. Ik heb geleerd die dingen te relativeren en het vooral bij mezelf te houden (ik ervaar dit zus en zo, het hoeft dus niet zo te zijn), maar het gevoel van afwijzing blijft. Relativeren is leuk, maar het blijft in mijn hoofd. Het gevoel van afwijzing en eenzaamheid voel ik in mijn lichaam en beweegt zich onder mijn huid, door mijn aderen om zich vast te klampen aan mijn botten.

De geschiedenis herhaalt zich

De laatste tijd heb ik het idee dat ik stuk ben. Dat ik een grotere behoefte aan nabijheid heb dan andere mensen. Dat ik iets wil dat niet bestaat. Die dingen zijn wel vaak tegen me gezegd en ik heb een tijd gehoopt dat therapie het zou oplossen. Dat ik een minder ‘geïdealiseerd beeld’ van intimiteit zou krijgen. Of dat er iets in mij gevuld zou worden, dat er een wond zou worden gehecht.

Het wordt niet minder, het wordt erger. Ik ben meer bewust van mijn gemis, meer bewust van mijn eenzaamheid. Dat is het grote nadeel van therapie. Naast het problematische proces van je hechten aan een therapeut.

Omdat ik een intensieve individuele therapie volg die zich richt op de relatie tussen patiënt en therapeut, heb ik veel last van mijn ‘hechtingsstijl’. Ofwel: ik heb een enorme behoefte aan nabijheid, aan een samenzijn met mijn therapeut, en tegelijkertijd ben ik ontzettend angstig en waakzaam voor elke stap die hij zet. We oefenen met het oogcontact en de controle wat meer loslaten, maar elke keer raak ik zo overstuur en word ik boos. Ik heb dan het gevoel dat hij een grens over is gegaan. Welke grens? Geen idee, maar boos ben ik zeker. Dit lijkt op een projectie (overdracht), namelijk dat ik mijn gevoelens van een eerdere situatie met een ander persoon in de geschiedenis in het heden op mijn therapeut projecteer. Opnieuw: allemaal leuk en aardig om dit te wéten, maar mijn gevoel van boosheid klemt zich nog steeds vast in mijn lichaam. Zo vast dat ik niet meer naar mijn therapeut wil.

Eenzaamheid maakt eenzaam

De dingen die ik ervaar bij het maken en behouden van intiem contact zorgen ervoor dat ik me steeds eenzamer ga voelen. De emotionele eenzaamheid leidt tot gevoelens van angst en waakzaamheid, die gevoelens leiden tot vermijding en de vermijding leidt weer tot het uit de weg gaan van intiem contact en zo blijf ik me dus eenzaam voelen.

De bewustwording van de emotionele eenzaamheid heeft ook nog een ander nadeel. Ik voel elke dag, zeker aan het einde van de dag, de behoefte om tegen iemand te zeggen dat ik me zo eenzaam voel. Maar dat zeggen tegen iemand in mijn netwerk is tegelijkertijd bijna een soort verwijt naar diegene, namelijk zo: je bent mijn vriend, maar je voldoet niet. Of is dat vooral mijn angst en eigen interpretatie? Ik kan me in ieder geval voorstellen dat de ander zich beledigd voelt. Maar het heeft dus niets met de ander te maken.

Ik heb in dit geval ook wel last van onbewuste indoctrinatie, misschien. Als ik artikelen lees over eenzaamheid gaat het bijna altijd over alleen-zijn. Ook wordt er daarover geregeld iets tegen mij gezegd, namelijk dat ik ‘niet eenzaam kan zijn’, omdat ik zo ‘sociaal’ ben en ‘veel’ vrienden heb. Klopt: ik ben niet alleen, maar wel eenzaam.

One Commnet on “Niet alleen, wel eenzaam

  1. Heel duidelijk en inderdaad dat is zeker waar… alleen en eenzaam is een heel groot verschil.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *